Wanneer je onbevooroordeeld naar de zich ontwikkelende mens kijkt kun je een soort leidend principe herkennen—een principe dat die ontwikkeling mogelijk lijkt te maken.
Twee voorbeelden.
Een pasgeboren baby heeft een aantal aangeboren reflexen. Zo strekt de zojuist geboren baby de benen en maakt loopbewegingen wanneer je de baby met de voeten op een oppervlak houdt (of door je handen stevig onder de voeten te houden). Deze reflexen worden respectievelijk de opzet- en de loopreflex genoemd. Verder “kruipt” een pasgeboren baby reflexmatig naar de borst van de moeder, probeert met de mond in de buurt van de tepel te komen, grijpt de tepel met de mond (de “rooting” reflex) en begint te zuigen wanneer er iets als een tepel in de mond komt (de zuigreflex). Wanneer een pasgeboren baby plotseling schrikt (of valt) vertoont het de zogenaamde “Moro-reflex”: de armpjes spreiden zich wijd, de vingers ook; soms strekken de benen zich ook; daarna trekken armen en benen zich weer samen alsof de baby zich aan iets vast wil klampen; vaak gaat de baby vervolgens huilen of begint te jammeren; tenslotte ontspant de baby zich weer en komt tot rust. Al deze reflexen—en er zijn er nog meer—zijn instinctieve bewegingen waar de baby geen controle over heeft. Zij staan—net zoals de instinctieve reacties bij acute dreiging (zie de Trauma pagina)—in dienst van overleven. Deze reflexen verdwijnen geleidelijk wanneer ze plaatsmaken voor het doelgericht beheersen van het lichaam. Maar die reflexen verdwijnen niet zomaar…
Heel anders is het wanneer de baby enkele maanden later bijvoorbeeld gaat proberen iets te pakken. De armpjes en handjes werken in eerste instantie absoluut niet mee—ze gaan alle kanten op. De baby lijkt zijn uiterste best te doen de armpjes, handjes en vingertjes stil te laten worden en vervolgens gericht te bewegen. Als je goed observeert zie je dat de baby op zo’n moment uiterst geconcentreerd bezig is—er met de volle aandacht bij is.
Dit is de wijze waarop aangeboren reflexen geleidelijk plaatsmaken voor doelbewust gerichte bewegingen: het kind maakt zich het lichaam geleidelijk eigen door het eerst stil te laten worden en vervolgens doelbewust te leren bewegen. Het leidend principe dat dit mogelijk lijkt te maken is aandacht.
Voor het tweede voorbeeld wil ik gebruikmaken van een wellicht bekend model voor het leren van een vaardigheid dat in de jaren ’70 van de twintigste eeuw is ontwikkeld door Noel Burch. Het wordt vaak het vier stadia van competentie leer-model genoemd. Het onderscheid vier stadia in het aanleren van een nieuwe vaardigheid. Tijdens het eerste stadium zijn we niet in staat een vaardigheid uit te oefenen, maar we zijn ons daar niet bewust van—we zijn dan onbewust incompetent. Stel je voor je bent een klein kind en ziet iedereen fietsen. Dat lijkt heel gemakkelijk en het komt dus niet bij je op dat jij het misschien niet zou kunnen. Je stapt op een fiets en valt om. Hiermee bereik je het tweede stadium: je beseft dat je niet kunt fietsen en bent nu bewust incompetent. Als je het daar niet bij laat zitten en besluit dat je toch echt wilt kunnen fietsen, net zoals al die anderen, dan vind je iemand die je wil helpen het te leren en ga je oefenen. Je helper houdt je fiets vast en loopt mee, terwijl jij eerst je volle aandacht richt op het vasthouden van het stuur, op het sturen en op het trappen. Als je die acties een beetje onder de knie hebt wordt het tijd om te oefenen je evenwicht te bewaren. Je helper ondersteunt je dan steeds minder zodat je geleidelijk ervaart hoe je je evenwicht kunt behouden. Dan komt het moment dat je helper je loslaat; met uiterste concentratie lukt het je de fiets overeind te houden. Je valt niet, maar je moet je volle aandacht nog bij het fietsen houden om je evenwicht te bewaren door steeds kleine bewegingen met het stuur te maken en door voortdurend je zwaartepunt te verplaatsen—je bent nu bewust competent. Je beheerst nu de vaardigheid wanneer je je aandacht erbij houdt. Dit proces van met volle aandacht oefenen herhaalt zich wanneer je leert aan dezelfde kant van een weg of pad te blijven fietsen, en—al fietsend—op het verkeer om je heen te letten. Tenslotte zul je na verloop van tijd merken dat je als vanzelf fietst terwijl je met je vroegere helper, die nu zelf naast je fietst, zit te kletsen. Je aandacht is bij het gesprek, je hoeft je aandacht niet meer bij de vaardigheid van het fietsen te houden—je bent onbewust competent. Dit leer-model is toepasbaar op elke denkbare vaardigheid en beschrijft prachtig de stadia die ieder mens doorloopt bij het leren van een vaardigheid. Het past ook op het leren gebruiken van onze armen en benen in ons eerste levensjaar zoals in het eerste voorbeeld werd beschreven.
Het leidend principe dat ook in dit model zichtbaar wordt en dat ons leidt van bewust incompetent naar bewust competent is de aandacht. Ik noem dit ook wel de deelnemende aandacht, waarmee ik bedoel dat je helemaal in de activiteit opgaat tijdens de momenten waarop je iets echt aan het leren bent—je neemt er volledig aan deel. Of, om het nog anders te zeggen: je bent er op die momenten één mee—jij en de activiteit zijn één. Je bent het doen.
We maken ons ons lichaam, maar ook vaardigheden eigen door deelnemende aandacht.
In de cognitieve ontwikkeling van de mens werkt hetzelfde principe. De wereld komt aanvankelijk als onsamenhangende indrukken bij ons binnen. Aan die indrukken geven we betekenis. Het begrijpen van een aspect van de wereld betekent dat we een begrip ontdekken dat met bepaalde indrukken resoneert—door dat begrip worden die indrukken doorzichtig voor ons. Het begrip ontdekken we met ons denken en ons denken verbindt het met de indrukken. Het eigenlijke ontdekken van een passend begrip en het verbinden van dit begrip met de indrukken is opnieuw een moment van één zijn. Tijdens het begrijpen nemen we volledig deel aan het begrip. Het is dus zowel een begrip vinden dat met bepaalde indrukken resoneert als zelf resoneren met dat begrip. De van begrip doordrongen indrukken vormen nu een samenhang met aspecten van de wereld die we reeds begrijpen. We zijn al lang vergeten dat de wereld aanvankelijk als onsamenhangende indrukken bij ons binnenkomt omdat we al zoveel begrippen met die indrukken en met andere begrippen hebben verbonden. We zijn daar onbewust competent in. Echter, bij sommige mensen—bijvoorbeeld bij sommige mensen op het autistisch spectrum—is dat niet of veel minder het geval. Zij kunnen de wereld voortdurend ervaren als een reeks onsamenhangende indrukken.
Wanneer we iets tegenkomen dat we nog niet begrijpen (en dat niet in onze gedachtenschema’s past), is de enige manier om het te begrijpen wederom de deelnemende aandacht. Wanneer we de indrukken op ons in laten werken, er in opgaan, zal de vraag die ze bij ons oproepen uiteindelijk een resonerend begrip naar boven brengen en het ervaren van dat resonerend begrip geeft ons het bekende aha-gevoel.
Wanneer we een begrip met deelnemende aandacht doorvoelt hebben, hebben we er weliswaar wezenlijk (met ons wezen) contact mee gehad, maar we kunnen lang niet altijd zeggen dat het ons dan ook echt eigen is. Daarvoor is het soms nodig om een begrip kritisch te bekijken—dat wil zeggen dat we ons bewust worden van het begrip en voelen of het echt met ons wezen resoneert. Als dat niet zo is kunnen we—eenvoudigweg door ons van dit niet resoneren bewust te worden—het begrip loslaten en ons openstellen voor een begrip dat beter bij ons wezen past.
Dit principe van deelnemende aandacht dat ons in staat stelt ons lichaam eigen te maken en te beoordelen of onze cognities voldoende eigen zijn is het leidende principe van het therapeutisch werken bij pneuma|psi.

Het leidend principe van de op deze website beschreven therapieën is dus de deelnemende aandacht. Zij wordt gericht op een indruk die in ons naar boven komt (misschien een indruk die met een traumatische situatie te maken heeft), of op een impuls die zich in het lichaam manifesteert (misschien een zich steeds herhalende overlevingsreflex), of op een gedachte waarvan we niet zeker zijn of zij voor ons wáár is.
De deelnemende aandacht maakt de indruk, de impuls of de gedachte tot een eerste-persoons ervaring. Daarmee verbindt het ik zich met die impuls, die indruk of die gedachte.
Door tijdens een therapiesessie met aandacht deel te nemen aan een indruk wordt het resonerende begrip ontdekt en worden indruk en begrip in een samenhang geplaatst en zo begrepen. Wanneer het een indruk betreft die bij een vervelende ervaring uit het verleden hoort verandert die indruk door begrepen te worden in een herinnering (dit is wat verwerken betekent).
Een reflexmatige lichamelijke impuls wordt gedurende een therapiesessie toegelaten en zo volledig mogelijk ervaren. Door deze deelnemende aandacht lost de reflexmatige impuls zich als het ware geleidelijk op en maakt plaats voor het ik dat zich dat aspect van het lichaam (weer) eigen maakt—op dezelfde manier waarop vroegkinderlijke reflexen plaats maken voor de vaardigheid om het lichaam doelbewust te gebruiken.
Een gedachte wordt tijdens een therapiesessie bewust ervaren en gewogen om te ervaren of zij resoneert met de werkelijkheid van de diepere wezenskern. Zo niet, dan verliest zij vanzelf haar overtuigingskracht en kan plaats maken voor een meer waarheidsgetrouw inzicht over het zelf.
Het zich door deelnemende aandacht eigen maken van lichamelijkheid en cognities betekent eigenaarschap over deze domeinen. Eigenaarschap betekent dat de lichamelijkheid en het cognitieve vermogen door het ik doelbewust kunnen worden ingezet. In het Engels is hier een woord voor: agency. Optimale lichamelijke en cognitieve agency zijn het doel van de behandelingen die door pneuma|psi worden aangeboden.
© 2026 Paulus de Wit (website inhoud, ontwerp en publicatie).